EEN OP DE DRIE

Onderweg naar huis van een bezoek aan ontheemde vriendin moet ik stoppen vanwege werkzaamheden aan de weg. Het is warm in de auto, een en al zon, de lente volop aanwezig. Het getril van de motor trekt mijn aandacht. Dan besef ik dat ik het zelf ben, die zo trilt. Verbaasd kijk ik naar mijn handen en onderarmen. Het is alsof ik een lichte vorm van Parkinson heb.

Ik moet denken aan de blog van het andere Damesmeisje, een paar dagen geleden. Hoe we elke dag een stukje verder weg zijn van wat we als het centrum van ons bestaan beschouwen. Onszelf steeds een stukje verder loslaten, op weg naar iets anders. Naast melancholisch klonk het ook mooi. Tot nu toe was ikzelf vooral nieuwsgierig naar mijn ouderworden. Een nieuwe onbekende, maar ook uitdagende fase. Hoe zal dat zijn? Hoe zal ik ermee omgaan? Kan ik het onder ogen zien, zal ik een sterke, wijze, oude vrouw worden?

Maar wat, als het allemaal niet zo gecontroleerd gaat? Als ik straks ook hoor bij een op de drie vrouwen, die het leven niet meer zelf in de hand heeft? Zoals mijn ontheemde vriendin. Ze wil wel de regie voeren over haar eigen leven, ze wil heel graag terug naar India, maar ze moet ervaren dat ze het zelf niet meer kan regelen. Het is alsof haar radeloosheid, woede en verdriet vanochtend langzaam bij me naar binnen zijn geslopen.

ALTIJD IEMANDS SECRETARESSE

n het extra dik jubileumnummer van het feministische maandblad Opzij, 10e jaargang nr. 11, november 1982, steek ik in een ingezonden brief mijn mening niet onder stoelen of banken:

“Jullie vraag of sekretaresse en feministe-zijn een onmogelijke combinatie is, kan ik volmonding met ‘ja’ beantwoorden. Veel werkzaamheden zijn te omschrijven als naar kantoor overgebrachte huishoudelijke arbeid: steeds hetzelfde, steeds dienstbaar zijn, nooit zelf werk scheppen, het wordt ondergewaardeerd. De enige goede oplossing is van beroep te veranderen.”

Gelukkig deed ik dat laatste en werd zelfs directeur. Maar ik vrees dat de secretaresse in mezelf nooit echt helemaal is verdwenen. Deels komt dat door een vorm van herwaardering. Want wat bleek het, ook later, handig om snel te kunnen typen, goed te kunnen notuleren en niet te vergeten archiveren. Ik pluk er de vruchten van tot vandaag de dag.

Vooral secretaresse zijn van het thuisfront is o, zo handig. Alles loopt daardoor op rolletjes en bovendien houd ik als controlfreak het huishouden goed in de peiling. Toch, de valkuilen van toen zijn de valkuilen van nu. Want hoe zit het eigenlijk met die waardering van het thuisfront?

Ik heb, geloof ik, iets niet helemaal goed gedaan.

VPTZ

Vlak voordat ik met het andere Damesmeisje onderdook in de Knaus, was ik op een vergadering in Dokkum. Dat kwam door de Overbuurvrouw. Die had me met zachte overredingskracht in een bestuursfunctie geloodst. Daar zat ik, keurig op 1,5 meter afstand tot de andere bestuursleden, want iedereen was van een kwetsbare leeftijd. Mijn laptop in de aanslag, want het secretariaat voeren voor de VPTZ, Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg, was nu mijn taak. Mijn ambivalente gevoel was snel over. Al na een paar minuten wist ik dat dit werk me past. Wat is mooier dan het zorgen voor vrijwilligers, die zorgen voor mensen in de allerlaatste fase van hun leven?

Dat die gedachte me niet afschrikt komt door het overlijden van mijn vader in 1986. Met een paar broers en zus waren we bij zijn sterfbed. Ik zat naast mijn vader en hield zijn hand vast. Mijn herinnering aan die dag is haarscherp. Het was alsof ik in aanwezigheid van de dood in mezelf een kern aanboorde, een stevige solide basis, waar ik altijd van op aan kon. Dat gevoel heeft me nooit meer verlaten. Het was bij me al die jaren dat ik op De Nieuwe Ooster in aanraking kwam met gevoelige en droevige situaties en op allerlei andere trieste momenten in mijn leven.

Ik kan niet ontkennen dat ik het na mijn pensionering wel fijn vond eens niet met de dood van doen te hebben. Maar zie, het bloed kruipt kennelijk toch waar het niet gaan kan.

Bidprentje Leo M. Meuris

Á MON SEUL DESIR 4

Thuisgekomen haalde ik Á mon seul desir tevoorschijn en maakte de lijst voorzichtig los. De achterkant van het borduurwerk zit verborgen achter een dunne plaat hardboard, aan de randen dichtgeplakt met een ouderwetse rand plakpapier. Er is geen naam, geen enkele verwijzing te bekennen. Natuurlijk, ik zou het kunnen lospeuteren en proberen omgekeerd te verkopen, kennelijk voor een flink bedrag. Of ik het ervoor krijg? Ik wil het niet eens weten. Wat ik wil weten is wie de maakster is. Want dat het een vrouw is, lijkt me evident. Wie heeft met zoveel liefde dit werk geborduurd en waarom juist dit onderwerp? Waar heeft het gehangen? En waarom komt zoiets moois uiteindelijk op een rommelmarkt terecht? Een oproep in de Leeuwarder Courant leverde twee telefoontjes op. Een mevrouw vertelde dat zij een half geborduurd wandkleed van haar overleden moeder in bezit heeft. Ze hoopt nog steeds iemand te vinden die het afmaakt. Iemand anders schijnt een huis vol van deze wandkleden te hebben. Beiden beloofde ik een keer te komen kijken, maar corona was tot nu toe spelbreker.

Het andere Damesmeisje heeft gelijk: Á mon seul désir staat naast een hang naar contemplatie ook voor het volgen van je hart. Somewhere, anywhere, dat is inderdaad niet gebonden aan een plek. En mijn wandkleed staat ook symbool voor de traditie van borduurwerken, die door vrouwen overal ter wereld steek voor steek zijn vervaardigd. Ook de Damesmeisjes borduren avond aan avond in overblijvende krappe uurtjes in kleine steekjes nieuwe kunstwerken bij elkaar. En zo weten we ons verbonden met al die vrouwen en met elkaar, alsof er een lange borduurdraad loopt tussen Amsterdam en Blije.

Á MON SEUL DESIR 3

Het is 2018. Het is zonnig en druk op de rommelmarkt in Wolvega. Mijn oog valt op een kraampje waar een groot schilderij op de grond achter de tafel staat. Mijn hart slaat een slag over. Opnieuw sta ik oog in oog met Á mon seul desir, nu prachtig geborduurd in kleine secure steekjes. ‘Voor € 15 mag je hem hebben’, zegt de man achter de tafel. ‘Hoe komt u hieraan’, vraag ik nieuwsgierig, altijd in voor een goed verhaal. De man vertelt dat het borduurwerk afkomstig is uit een gehandicapteninstelling, maar hij heeft geen idee welke. En ik vergat stom genoeg te vragen hoe lang het al in zijn bezit is.

Sindsdien staat het geborduurde wandkleed in mijn kleine ateliertje op de grond. En nog is het verhaal niet afgelopen. Ruim 1 jaar later bezocht ik een galerietje in Beetsterzwaag, dat kon toen nog gewoon. Het was tegen vijven in de avond, buiten was het fris, alles was gehuld in prachtige herfsttinten. In de galerie schemerde zacht licht. Op een van de wanden hing een vierkant geborduurd wandkleed, maar dan omgekeerd, dus de achterkant was zichtbaar. Daardoor kreeg het een diffuus, onaards karakter. Het deed me denken aan de Embroidery Show, de tentoonstelling van kunstenaar Rob Scholte met omgekeerde borduurwerken, een paar jaar geleden in museum De Fundatie in Zwolle. Ik stond op het punt van vertrekken, toen mijn blik op het laatste moment op een paar schilderijen viel, die een beetje verborgen laag in een hoek hingen. Daar was het wandkleed weer, nu een van de andere vijf. Opnieuw geborduurd, maar nu was de achterkant te zien. En een prijskaartje van € 1.250! Wordt nog steeds vervolgd.

Á MON SEUL DESIR 2

Later, in de museumwinkel, kocht ik als aandenken een poster en een boek over de geschiedenis van wat niet een, maar liefst zes wandkleden bleken te zijn, alom beschouwd als een van de meesterwerken van de hoogmiddeleeuwse kunst. Vijf van de zes tapijten vormen een allegorische voorstelling van de zintuigen. Volgens de in de middeleeuwen gangbare hiërarchie zijn dit achtereenvolgens: tastzin, smaak, ruiken, horen en zien. Dus daarom heette dat boekje van Suzanne Brøgger De zes zinnen! En elk hoofdstuk in dit boek beschrijft een ander tapijt, niet steeds hetzelfde. Ik zocht een wandkleed, en vond er zes! Een zoektocht ten einde?

Niet helemaal. In de afgelopen jaren stuitte ik op talloze romans, die elk voor zich proberen te verklaren door wie en waarom de wandkleden werden gemaakt. Rainer Maria Rilke schreef erover in zijn roman Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge. En de dame en haar eenhoorn blijken zelfs te figureren in de Harry Potterfilms. Want in de bioscoop in Leeuwarden, tijdens het kijken ernaar, veerde ik overeind toen ik de gobelins ontdekte die hangen in de leerlingenkamer van Gryffindor. Daar had je ze weer, op de meest ondenkbare plek die je je maar kan voorstellen.

Men zegt dat de Franse schrijfster George Sand de wandkleden tussen 1835 en 1840 ontdekte in een kasteel. Het is vooral het zesde tapijt dat aanleiding gaf tot veel speculatie. In eerste instantie dacht men dat de dame een kostbaar halssnoer uit haar juwelenkist haalt om te gaan dragen. Tegenwoordig denkt men dat ze het halssnoer juist ín haar kist doet. Op de opengeslagen tent achter haar staat de leuze Á mon seul désir (“Aan mijn enige wens”). Die enige wens zou dan zijn dat ze afstand doet van haar wereldlijke leven en het klooster in gaat. Een gevoel dat dit Damesmeisje al een hele leven vergezelt, dus geen wonder dat juist dit wandkleed me zo raakt. Maar daarmee is dit verhaal nog niet ten einde.

Á MON SEUL DESIR 1

Ze noemden haar de heks van Denemarken. Suzanne Brøgger. Verlof ons van de Liefde, Creme Fraiche, Wegen en dwaalwegen van de liefde: het waren boeken die je in de 70er jaren als rechtgeaarde feministe gelezen moest hebben. Maar ik wist niet zo goed wat ik met die boeken moest, vol met vrije seks en grote vraagtekens bij het huwelijk en monogamie. Pas toen ik De zes zinnen las, was ik om. De omslag van dit fijnzinnige boekje is vlammend rood, een fragment van een bijzonder wandkleed. Elk hoofdstuk begint met een beschrijving van het wandkleed, daarna vertelt Brøgger over haar leven in een klein dorpje op het Deense platteland. Over haar contacten met haar buren, over haar kat Shahbanou, over het grote belang van het dichtbije, of het nu om het dragen van zijden kleding, het planten van rozen of het kopen van een tweedehands piano gaat. Maar ze schrijft vooral over een individuele levenswijze, waarin een vrouw zich volledig kan ontplooien.

Vanaf dat moment wilde ik wonen op het platteland, met een kat natuurlijk, een grote tuin en bijzondere buren. Maar mij beving ook een groot verlangen om het beschreven wandkleed te zien. Dat gebeurde pas vele jaren later in Parijs. Mijn Jongere Zus en ik gingen luisteren naar een folkgroep in Museum de Cluny en omdat we er toch waren, bezochten we na afloop het museum. Zo herinner ik het me: ik sloeg een hoek om en kwam terecht in een grote ronde ruimte, bescheiden aangelicht. Rondom hingen zes majestueuze wandkleden. Langzaam liep ik er langs. Die dames en die eenhoorns, ze kwamen me bekend voor. En toen stond ik eindelijk oog in oog met het wandkleed van mijn verlangen. Wordt vervolgd.

Midden op een blauw eiland zit een dame met een spiegel in haar hand waarin de eenhoorn zichzelf ziet. Zij is gekleed in een prachtige jurk van brokaat met strakke mouwen en een blauwe onderjurk van moire en met een ceintuur bezet met edelstenen.

FOREVER YOUNG

Langzaam zoomt de camera in en worden de contouren van het hofje duidelijk. Dan schuifelt er plotseling een vrouw de zwart wit beelden in. Even later, als de beelden overgaan in kleur, is ze er weer, opnieuw in het zwart, maar met een opvallende rode wandelstok. Het is actrice, schrijfster en columniste Marjan Berk, bijna 89 jaar. Spierwit haar, twinkelende ogen. Ze is vandaag de hoofdpersoon in de rubriek Forever young.

Wat maakt het leven de moeite waard, is de vaste vraag van Matthijs. Morgen, zegt ze. Wie ga ik ontmoeten? Wat gaat er gebeuren? Wat eten we? Dat ze net corona heeft gehad is nevenzaak. Sinds 3 jaar woont ze in het Occohofje in Amsterdam, een hofje voor alleenstaande oudere vrouwen. Het werd in 1758 gesticht naar de ideeën van de zakenvrouw Cornelia Occo. Meer dan tweehonderdvijftig jaar later gaat Marjan Berk op onderzoek uit en vindt in de archieven een schat aan informatie over het hofje, haar vroegere bewoonsters en Cornelia Occo. In de nog te verschijnen paperback Hofdames vertelt ze bijzondere verhalen van de huidige bewoonsters en vervlecht deze met het leven van de zakenvrouw en haar toen moderne idee dat vrouwen zichzelf moeten kunnen onderhouden.

Zo zie je maar. Sterke, onafhankelijke vrouwen zijn niet alleen van alle tijden, maar ook van alle leeftijden. En dan ook nog in je nadagen wonen in zo’n mooi hofje, wie wil dat niet? Maar dan alleen samen met het andere damesmeisje. Dan worden we eindelijk wat we allang zijn: Hofdamesmeisjes. En dan wil ik ook zo’n kekke rode wandelstok.

SOMEWHERES EN ANYWHERES

Toch klopt het niet helemaal, van die arbeiders. Veel jongeren van toen, mijn generatie dus, stemden vroeger ook links. Het hoorde bij die tijd om geëngageerd te zijn. Ikzelf was 17 toen ik op kamers geen wonen, en meteen nam ik een abonnement op de Volkskrant. En ging PvdA stemmen. Ik moet geraakt zijn door de tijdgeest, want het paste totaal niet in het plaatje van ons ouderlijk gezin.

In The Road to Somewhere gaat David Goodhart uit van een andere interessante scheidslijn. Aan de ene kant staan de mensen die grote waarde hechten aan autonomie en openheid. Ze verhuizen gemakkelijk en voelen zich overal thuis. Deze ‘overalmens’, de ‘anywhere’ geeft vorm aan zijn eigen identiteit en juicht de open wereld toe. De ’ergensmens’, de ‘somewhere’, is geworteld in een lokale gemeenschap, veiligheid en huiselijkheid zijn erg belangrijk, hun identiteit is gekoppeld aan nationale tradities en traditionele verbanden, zoals gezin en religie.

Doordat de sociaaldemocraten de vrije markt accepteerden, werd het steeds moeilijker om de linkse politiek te onderscheiden van de rechtse. De aandacht die ooit uitging naar het economisch belang verplaatste zich naar vrouwenrechten, minderheden en homoseksuelen. De traditionele achterban voelde zich niet langer vertegenwoordigd, hun stem werd niet meer gehoord. Voer voor populisten.

Vrij vertaald naar de Nederlandse situatie: de somewheres leven in de Randstad, de anywheres in de ommelanden. Wat mij betreft snijdt het hout, deze analyse.

ALLEMAAL EEN KATER

Mijn overleden vriendin Micha vertelde me ooit dat ze nooit ging stemmen. Zo’n slimme, leuke, kunstzinnige vrouw, ik was stomverbaasd. Geen idee meer wat ik toen tegen haar zei, maar bij de eerstvolgende verkiezingen had ze met trots wèl haar stem uitgebracht.

Wat ik me ook herinner is dat ze tijdens haar veel te korte schilderscarriere Sylvana Simons had geschilderd. Misschien was het een vriendin, maar het kan ook zijn dat dat te maken had met haar eigen ontwikkeling, Want vlak voordat de verschrikkelijke ziekte haar velde, was ze vooral bezig met de vraag waarom zwarte mensen in de kunst overal ontbreken, te beginnen in het Rijksmuseum.

De komst van Simons in de Tweede Kamer zou Micha zeker deugd hebben gedaan. En meer diversiteit en scherpe meningen zijn altijd goed. Maar verder zie ik weinig reden tot vreugde. De Gewone Jongen heeft een simpele verklaring: vroeger was het logisch dat alle arbeiders op de PvdA stemden, of nog linkser. Nu stemmen ze massaal rechts. De oude idealen werken niet meer, de oude zuilen zijn massaal ingestort. Ik denk dat ie gelijk heeft. Maar ik vraag me ook af wat er was gebeurd als al die strategische stemmers niet op D66, maar gewoon op de partij van hun èchte keuze hadden gestemd.

Maar ja, nu is het te laat. De Damesmeisjes zitten met een kater, links Nederland zit met een kater en de Gewone Jongen zit er met twee.

SCHRALE TROOST

Hier in Friesland was er bij de Tweede Kamerverkiezingen altijd één zekerheid: Friese kiezers stemden PvdA of CDA tot de grootste in de provincie.

Tot gisteren.

In 2021 doen het CDA en de PvdA er niet echt meer toe.

SP-er Renske Leijten, het vrouwelijke gezicht van toeslagenaffaire vat wat mij betreft de verkiezingsuitslag goed samen: ‘Een klap in het gezicht van de rechtsstaat’.

Ook de stemmers op klompen hadden het moeilijk gisteren. In diverse Friese plaatsen raakten ze in de war door het verplichte eenrichtingsverkeer in de stemlokalen. Toen we naar Friesland verhuisden wist ik nog niet dat klompdragers hun schoeisel bij de voordeur achterlaten. ‘Kijk eens wat pittoresk’, zei ik tegen de Gewone Jongen, en wees op een aantal klompen, keurig op een rijtje buiten een vissnackbar. Pas toen er binnen mannen in geruite overhemden op sokken bleken rond te lopen, ging er een lichtje op.

Maar ja, nu moesten die klompdragers zonder hun klompen via een andere deur het stemlokaal verlaten.

Corona hè.

Het probleem werd het eerst gesignaleerd in Niawier.

Maar ook in Zandhuizen ging het mis.

Gelukkig zijn de Friezen niet voor een gat te vangen.

De oplossing?

‘We hebben de klompen gewoon aan laten houden’.

Zo’n slimmigheid, kom er maar eens om.

De vrouw die gisteren zo overtuigend won is óók slim. En erudiet.

Gelukkig, maar ik zou niet graag in haar klompen staan.

VERDREVEN UIT HET PARADIJS

Ontheemde vriendin en ik genieten van een bord heerlijk Indiaas eten. We praten over onze gezamenlijke reis door Tibetaans India. Over hoe ze, hoog in de Himalaya. voorin de auto zat te zingen, terwijl ik achterin doodsangsten uitstond. Of ik het weer zou doen, in deze wetenschap? Absoluut, alleen al het bezoek aan de Tibetaanse tempel in Tabo staat in mijn geheugen gegrifd. Hoe ik de deur doorliep, zicht kreeg op een enorme hoeveelheid oude boeddhistische beelden en onverwacht werd overvallen door emoties. Het was, vreemd genoeg, alsof ik thuiskwam. Als het echt waar is, van vorige levens, dan was ik ooit een monnik in Tibet, die het liefst zandmandala’s maakte en per ongeluk ergens van zo’n hoge berg is gestort.

Ondertussen voltrekt zich in Nederland een drama. ’s Avonds, bij het zien van de exit poll, blijkt er van het goeie ouwe links niks meer over. ‘Er is een hoop veranderd sinds onze jeugd’, sombert de Gewone Jongen. Ik vertel dat ik op de radio hoorde dat kinderen tot een jaar of 10, 11 vooral groen en sociaal kiezen. Dan begint de puberteit en wordt het leven in het hier en nu losgelaten. De jongens worden autoritairder, er moet meer geld naar het leger, ze willen minder geld uitgeven. De meisjes zijn wat onduidelijker, maar overall zie je een verrechtsing in denken, en meer rigiditeit. De Gewone Jongen zegt hardop wat ik al eerder dacht: ‘Nou, dan ben ik in mijn kinderjaren blijven hangen’.

Dat moge zo zijn, het blijft schrikwekkend. Hoe kapitalisme, ongebreidelde hebzucht, Trumpiaans machtsdenken het hebben gewonnen van doodgewone naastenliefde, liefde voor de natuur en dat kleine hier en nu.

HET KOLKT

Ontheemde vriendin is radeloos, want zij raakt haar grip kwijt op de wereld.

Dochterlief is onaanspreekbaar, want zij is woedend op de wereld.

De buitendijkse terp is ver weg, want er zijn teveel tegenstrijdige belangen op de wereld.

Waar is dat kabbelende beekje in dit kleine Friese dorp gebleven?

Ik voel me als een stuurloos bootje dat wanhopig koers probeert te houden.

STEMPOTLOOD

We kunnnen vandaag stemmen. Nou ja, de kwetsbaren en de ouderen boven de 70 jaar. De Gewone Jongen staat al te trappelen, ik ga gezellig met hem mee, want dat mag. We wandelen ontspannen naar het dorpshuis aan de andere kant van het dorp. Staan we voor een gesloten deur! Alles is donker, geen mens te bekennen. We bellen een paar keer aan, lopen om het gebouw heen, maar het is duidelijk: hier kan niet gestemd worden. Ontstemd lopen we terug naar huis. Onderweg spreekt een man ons aan. Hij vertelt dat je op maandag en dinsdag alleen terecht kan in het gemeentehuis een dorp verderop. Het stond in de gemeentebrief, zegt hij. Natuurlijk niet goed gelezen. Gelukkig dat de Gewone Jongen niet per post heeft gestemd, dat was beslist ook verkeerd gegaan.

Bij de ingang van het gemeentehuis staat een lange rij. Mondkapje, handgel, overal vloerstickers met 1,5 meter afstand houden, hier zijn ze duidelijk goed voorbereid. In het stemlokaal lopen we enthousiast naar het bekertje met rode stempotloden. Want dat mag je houden, zeiden ze in de TV-reclame. En een rood potlood dat je mag houden vanwege corona is een verzamelobject, zegt de Gewone Jongen. Mooi niet dus. Hier in Ferwert moet dat potlood weer ingeleverd. Want onze gemeente is zuinig, zegt een man met plastic handschoenen aan. Met een ernstig gezicht maakt hij elk stempotlood weer schoon met een doekje, zodat ze opnieuw gebruikt kunnen worden. Gelukkig gaan onze stemmen naar een partij die niet zo knieperig is.

NOG ZO’N DAG

Het is vandaag zondag, het regent en waait, de tuin oogt nog steeds grijs en druilerig, het is alweer binnenblijfweer.

Opstaan, kopje koffie, sinasappeltje, stukje krant lezen, straks lekker een dagje op mezelf, de Gewone Jongen en de Kunstenaar gaan hun klusauto naar de APK brengen, heel gedoe, aanhanger halen, buggy erop vast zetten, voorzichtig door het Friese land rijden, blijkt dat de vrouwen mee moeten, nou ja moeten, het is ook leuk en gezellig, maar weer niet alleen, die verdomde corona, altijd samen, en dan ook nog tegen alle regels in bij elkaar in de auto en in de garage, moest ik eens doen, tijd later eindelijk alleen op de bank, temidden van krantenknipsels en bewaarde citaten nadenken over een brief aan het andere Damesmeisje, de vlop is al weken klaar, opnieuw storing, telefoontje over ontheemde vriendin, weer midden in de ellende, hartzeer, met pijn en moeite mijn aandacht weer naar waar ik mee bezig was, zit ik er net weer lekker in, opnieuw een telefoontje, de oververhitte woningmarkt in Amsterdam zorgt ook voor oververhitting bij Dochterlief, het mooie huis is overboden, er is ruzie en de plotselinge aankondiging dat we een logee krijgen, oeps, wc schoonmaken, badkamer mag ook een poetsbeurt, logeerkamer in orde brengen, hele huis van slag, inclusief de poezen, komt er een appje dat het niet doorgaat, want bitje vergeten mee te nemen, anders zonde van dat mooie gebit, het wordt nu morgen, van ellende gaan we maar naar een detective kijken, uitgeteld op de bank, verstand op nul, blij dat we met zijn tweeën zijn, van ons kan je tenminste op aan…

Voor ik naar bed ga kijk ik naar buiten, het regent nog steeds.

ZO’N DAG

Het is vandaag zaterdag, het regent en waait, de tuin oogt grijs en druilerig, het is binnenblijfweer,

Opstaan, kopje koffie, sinasappeltje, de zaterdag Trouw, de sudoku 5 sterren oplossen, het lukt, hoera, wasje draaien, de kattenbak schoonmaken, de rommel opruimen, naar de wachtende klussen in mijn atelier, een nagenoeg lege verfemmer met deksel vol witsel schoon krabben, het krantenpulp in een bouwemmer hand voor hand door de blender halen, alles overhevelen in de schone verfemmer, met het deksel stevig erop tegen uitdrogen, de bouwemmer schoonmaken, uitzoeken hoe het zit met een andere maaltijdservice voor ontheemde vriendin, het vegetarische eten van tafeltjedekje zorgt voor één grote klaagzang, haar staat van zijn heeft eindelijk een naam: frontotemporale dementie, mijn hoofd knaagt dat het nooit meer goed komt, werken aan

een opzet voor de brochure voor de komende tentoonstelling in mei, niet vergeten op te sturen naar het andere Damesmeisje, opnieuw op zoek naar een ophangsysteem voor plexiplaten, de was ophangen, Tashi even aaien, wat mails beantwoorden, en o ja, de blog van 12 maart nog even schrijven.

Ik kijk naar buiten, het regent nog steeds.

LICHTE REGEN

‘Tussen half 10 en 11 uur lichte regen’, roep ik naar de Gewone Jongen. Die staat in de keuken eten te maken voor een jammerende Neus. Buiten heeft de tuin de lente in de kop. De zon straalt, rondom de boomspiegels in het geheime boomgaardje komen witte krokussen op, fier opstekende kopjes van grote groepen sneeuwklokjes domineren de borders onder de hoge bomen. Een merel neemt een uitbundig badje in een plas water.

‘Het is lekker wandelweer’, beslist de Gewone Jongen, ‘we wagen het erop’. Vorige week ontdekten de Damesmeisjes een mooi wandelpad in St. Jacobiparochie, daar moet ie ook een keer lopen, beslis ik. Dat pad is snel gevonden, maar verder is er niets meer zoals het was. De plantsoenendienst is hier volledig losgeslagen. Geen boom is aan hun snoeizucht ontkomen. Fietsers kunnen er niet meer doorheen, de sloot ligt vol met afvalhout, en ook wij moeten goed uitkijken waar we lopen.

Om het plaatje te vervolmaken betrekt de lucht. Voordat we het weten striemt de regen in onze gezichten. Nergens is er plek om te schuilen. De bomen hebben geen takken meer of zijn om, de huizen liggen op behoorlijke loopafstand, onze regenbroeken liggen thuis. Een half uur ploeteren later staan we weer bij de mooie kerk in St. Jacobi. Onze drijfnatte jassen gaan uit, de net zo natte mutsen gaan af. In klamme broekspijpen en een auto die voortdurend beslaat rijden we tevreden terug naar Blije.

MOOIE TIJDEN

De eerste weken op De Nieuwe Ooster kon ik niet bevatten dat ik de baas was geworden van zo’n prachtig park. Maar ik kneep ‘m natuurlijk ook. Het meest beducht was ik voor een voorman, wiens reputatie hem vooruit was gesneld. De man zou een hekel hebben aan directeuren, vooral vrouwelijke, en er viel niet met hem samen te werken.

Ons kennismakinggesprek, al wandelend over het park, was moeizaam en aftastend. Ergens onderweg stonden we stil bij een ovalen grafmoment, waarvan de meeste koperen letters waren verdwenen. ‘Dit is het graf van een oud-directeur. Als we langslopen piesen we erop’, zei de voorman met een dreigende blik naar mij. Ik was onthutst, kon nog net stamelend uitbrengen: ‘En dat is wat mijn graf later ook te wachten staat’? De voorman liet het antwoord slim in het midden.

Later bleek de opmerking een hint naar het NSB-verleden van die oud-directeur. En de voorman bleek ook erg mee te vallen. We hadden al snel een klik, was respect voor elkaars vakmanschap, en ik voelde altijd onvoorwaardelijke steun. Soms vond ik een briefje op mijn bureau met de aanhef mevrouw de directeur. Dan wist ik meteen hoe laat het was en ging ik op gesprek.

De voorman is inmiddels de 80 gepasseerd. Ook na zijn pensioen verloren we elkaar nooit uit het oog. Sinds kort leest ie mijn blogs. ‘Jij met je stiefvader een mooi koppel, jij kon goed met een directeur over weg. Ik geloof dat ik ook zoiets had, dacht ik’, mailde hij vandaag.

Dat hadden we zeker, Dirk, dat hadden we zeker.

Foto: Martin de Haan

DE ANDERE DAME

Nee, dit gaat niet over het andere Damesmeisje. Dit gaat over de andere Dàme. Die is van een andere statuur, deftig, rijdt in een sjieke lease-auto, met een hoge positie in de uitvaartbranche. Tot vorig jaar gingen zij en ik een paar keer per jaar undercover en brachten wij nieuwsgierige, maar kritische verrassingsbezoekjes aan een begraafplaats ergens in Nederland. De Dames op hun dooie akkertje…Maar na 10 jaar wilde het brancheblad De Begraafplaats haar columnisten vernieuwen. Weg moesten De Dames. We waren erg verbolgen, maar bogen ladylike het hoofd.

Vanochtend, tijdens de dagelijkse verrassingswandeling met de Gewone Jongen, moest ik aan haar denken. Vlakbij de supermarkt ontdekten we tot onze verbazing een combinatie van algemene en RK begraafplaats, Damwâldsterreedsje geheten. Hoe kon het dat we die plek nooit eerder hadden gezien? Volgens de Gewone Jongen kwam het door de nu kale bomen. Ik gaf de schuld aan een plantsoenendienst behept met een ongebreidelde snoeizucht. Nieuwsgierig liepen we door het hek naar binnen en keken vol verbazing om ons heen. Afgezien van een paar redelijk keurige RK-grafvakken zelden zoveel schotse, scheve en verzakte grafmonumenten bij elkaar gezien. De teksten nauwelijks te lezen, stenen overgroeid of doormidden. Van onderhoud plegen hadden ze hier kennelijk nog nooit gehoord.

‘Het lijkt me geen straf om hier te liggen’, zei de Gewone Jongen, toen ie het hek weer achter zich dichttrok, ‘maar dan alleen op ’t verwaarloosde deel’. Ik vroeg me weemoedig af wat de andere Dame hiervan zou vinden en miste haar ontzettend.

ZIELIGE MEISJES

Eindelijk weer eens een leuk boekenprogramma op TV: Eus’ boekenclub. Locatie: het Burgerweeshuis in Deventer. Een gezellige bar met zitjes en posters. Aan de muur, tussen de foto’s van Mulisch en Reve, eentje van de o zo gezellige kasteelheer van Chateau Meiland. Een onwaarschijnlijke en natuurlijk onterechte combinatie. Maar dat is vast de bedoeling. Zangeres Lakshmi, met gitarist en drummer, vormt de huisband. Er is het optreden van een dichter van de avond en buiten staat steevast een kraampje met een boekenverzamelaar. Dit keer is het een vrouw, die zielige-jongetjes-boeken verzamelt. Ciske de Rat, Kruimeltje, Alleen op de Wereld. Het meest zielige boek is Peerke en zijn kameraden, want hij gaat dood. Het klinkt aandoenlijk, maar om dan meteen zielige jongetjes tot verzamelobject te bombarderen? Waarom geen boeken over zielige meisjes, vraagt de presentator? Gewoon, omdat ze er niet zijn, antwoordt de verzamelaarster.

Mijn klomp breekt. Waarom krijgen zielige meisjes geen boek? En al die zielige jongetjes allemaal wel? Bijna wil ik er kwaad om worden, maar dan schiet door mijn hoofd dat haar antwoord misschien wel klopt.

Want de meisjes die ík ken zijn allemaal een beetje Pipi Langkous. Stoer, rechte schouders, mouwen opgestroopt, niet huilen, hup aan de slag. Misschien kijken we gewoon niet goed. Ze zijn er wel, die zielige meisjes, maar ze hebben zichzelf vakkundig weggestopt. En houden ondertussen hun gezin en de wereld draaiende. En zichzelf natuurlijk. Als dat geen goed boek waard is.

I’M GROWING OLD

Twee Meter Sessies van Jan Douwe Kroeske, Top of the Pops.

Gelukkig is er één muziekprogramma dat niet stopt en onverwoestbaar doorgaat: Later…with Jools Holland, laat op de avond te vinden op BBC2.

De flamboyante presentator/pianist/bandleider heeft een neus voor vernieuwende muziek en opvallende artiesten. Menig muzikant is doorgebroken dankzij een eerste optreden bij Later. Nu, door corona, pakt Jools het anders aan. Hij nodigt een aansprekende muzikale gast uit in zijn huis. Die toont een aantal favoriete clips. Aan het einde volgt een eigen optreden.

Dit keer is de gast Sir Tom Jones. It’s not unusual, What’s now pussycat, Green green grass of home. Hij vertelt over zijn succesvolle carriere, over het geluk een gouden stem te hebben, over het overlijden van zijn vrouw in 2016, over zijn nieuwe cd.

‘Songs take on a different meaning from experiences you’ve had in life. So, after living 80 years I thought: Let’s do an album with songs I’ve collected over the years but songs that mean more to me now than before.’

Jones hoorde een van de nummers voor het eerst in de zeventiger jaren. ‘I thought: Well I’m only in my thirties, maybe I should hold it until I’m in my eighties, if I ever get there. Well, here I am.’

Hij veranderde de tekst in een ontroerend breekbare ode aan zijn vrouw. En eigenlijk aan een heel mensenleven.

Allemaal kijken:

https://youtu.be/9DMJCuTVM5w

BACK

Het caravannetje staat fier stand te houden in het kale Friese land. Het toegangspad naar de camperplaats is verbreed, overal ligt snoeiafval, maar verder oogt alles verlaten. Maar niet lang meer, want de Damesmeisjes zijn terug. Ze sluiten de electra aan, halen vers water, de stofzuiger verwijdert de vele vliegenlijkjes, stukje bij beetje nemen ze hun broedplaats en hun vriendschap weer in bezit.

Daarna moet ook het ommeland opnieuw verkend. De zon schijnt fel, nauwelijks wind, in de verte graast een groep herten. De Damesmeisjes hebben weer ongelofelijk geluk. Na een pittige wandeling ook nog een onverwacht nieuw café. Je moet maar durven in deze tijd, maar de eigenaar heeft er zin in en serveert zoete wortelcake met heerlijke chocolademelk. To go of not to go? Hoe dan ook, het is zware brandstof voor de rest van de lange wandeling. Tijdens het lopen keuren de Damesmeisjes huizen op atelierwaardigheid, bespreken ze de afgelopen maanden van elkaars leven, en genieten ze van de natuur en van elkaar. Marie heeft het druk op haar eigen manier.

Terug in het caravannetje komen de glaasjes wijn en de nootjes op tafel. En daarna het schetsboek en de laptop om aantekeningen te maken. Tentoonstellingen worden voorbereid, nieuwe ideeën uitgedacht.. Na de volmaakte erwtensoep zijgen de Damesmeisjes ineen. Maar hé, er moet nog een blog geschreven.

Langzaam kruipt de vrieskou de caravan binnen. De Damesmeisjes wensen elkaar goedenacht en kruipen diep onder de dubbele dekbedden.

SPREUK VAN DE DAG

“Stel kleine goedheid niet uit tot later,

Wat haalt het uit, denk je vermetel:

Bij beetjes druppelt ook het water

Maar ’t vult in ’t eind de grootste ketel.”

Patrul Rinpoche

DOLLY

Vanochtend opnieuw wakker geworden in een witte wereld.

Friesland zit potdicht, onze tuin is triest, de vogeltjes laten zich niet zien, de katten liggen tegen de CV aan. Iedereen wacht op betere tijden.

Op het nieuws het bericht dat corona een splijtzwam dreigt te worden in de samenleving.

De overheid moet voorkomen dat de vlam in de pan slaat.

In Venetië liggen de gondels eenzaam in de modder, het waterpeil was er nog nooit zo laag.

En dan moet de dag nog beginnen.

Maar even later breekt onverwacht een stralende zon door.

Het duurt niet lang meer eer iedereen in de VS is gevaccineerd.

Countryzangeres en publiekslieveling Dolly Parton, 75 jaar inmiddels, doet het even voor.

Ze ziet eruit als een jong meisje en draagt een paars mondkapje, passend bij haar blonde haren. In haar flitsend glitterpakje in dezelfde kleur zit een modieus gat bovenin de mouwen, zodat de spuit er gemakkelijk bij kan. Zelfs de handschoenen van de prikker matchen bij het geheel.

‘Laat je vaccineren’, zegt Dolly lachend, ‘voor de gelegenheid heb ik een van mijn liedjes aangepast’.

Vaccine, vaccine, vaccine, vaccine,

I’m begging of you please don’t hesitate,

Vaccine, vaccine, vaccine, vaccine,

Cause once you’re dead, and that’s a bit too late.

Ik wil ook zingend gevaccineerd worden. Met zo’n humeur, in zo’n pakje.

HEIMWEE

Vanaf de eerste minuut van de nieuwe serie Beau in Floradorp zit naast mij iemand op het puntje van de bank. Terwijl de presentator op zoek gaat naar bijzondere verhalen en mensen, vertelt De Gewone Jongen zíjn verhaal over dit deel van Amsterdam Noord. Het was vlak na de oorlog. Beppie en Jan, zijn ouders, konden geen huis krijgen. Ze gingen inwonen bij opoe Dikkie, op Campanulastraat 8. Middenin Floradorp, ook wel de Rimboe genoemd. De Gewone Jongen werd in dat huis geboren. Een paar jaar later verhuisden zijn ouders naar de Van Hauweningenstraat in Amsterdam centrum. Maar zijn moeder wilde terug naar haar zussen en verdere familie. En zo kwam het gezin terecht op de Wingerdweg, aan de rand van Floradorp.

De presentator loopt door de wijk, de Gewone Jongen loopt mee en vertelt. ‘Daar, naast die kerk, dat gebouwtje, daar speelde ons bandje the Dogs. De voorzitter van onze fanclub woonde hier vlakbij’. Even later staat de presentator bij een enorme stapel pallets met kerstbomen, klaar om in de hens te steken. Nu op een speciaal daarvoor bestemde plek, maar in de jeugd van De Gewone Jongen gebeurde dat op een kruispunt middenin de wijk. ‘Een enorme dreun, een putdeksel vloog door de lucht en kwam terecht op het dak van opoe Dikkie’.

De buurt verandert, vertellen de huidige bewoners. In hun ogen zijn het de yuppen die alles verpesten, die in geen 7 jaar hun ramen lappen en niet meedoen aan de saamhorigheid en de tradities. En de Gewone Jongen? Die heeft heimwee, net als zijn moeder Beppie.

SPREUK VAN DE DAG

“ Vrede in de gedachten wortelt in genegenheid en mededogen.

Ze vergt een sterk inlevingsvermogen en een diepgravend gevoelsleven.”

Tenzin Gyatso, Veertiende Dalai Lama

Gelezen na een dag vol boze, beschuldigende smsjes van ontheemde vriendin.

Het helpt.

NEE, NEE, NEE

Corona doet ons Friesland ontdekken. Zo kennen we Burgum als een groot dorp met een kringloopwinkel en een plein met winkelcentrum. Vandaag gaan we op zoek naar de oude dorpskern. We zien prachtige villa’s, grote tuinen, woonboerderijen. Voordat we het weten komen we terecht in een schitterend bosgebied. Hier en daar een huis, allemaal even begerenswaard. Hoe zou het zijn om hier te wonen? Altijd een terugkerende vraag aan elkaar. Op een ruiterpad valt vooral de stilte op, een dikke laag mos en rulle aarde dempen onze voetstappen.

Op de terugweg vertel ik de Gewone Jongen over een interview dat ik een paar dagen geleden op de radio hoorde. Aan een vluchtelinge werd gevraagd wat zij het leukste vindt aan Nederland. Haar antwoord was even verrassend als leuk: dat ze ergens nee tegen kan zeggen. Ze deed voor hoe ze dat doet, en moest er zelf verschrikkelijk om lachen.

Nee, daar doe ik niet aan mee.

Nee, dat wil ik niet.

Nee, daar heb ik geen zin in.

Nee, nee, nee.

Het is een leerzaam nee, vinden we allebei.

Een nee met een blije toon van vrijheid, van gelijkwaardigheid, van kansen zien en pakken.

Een nee zonder verongelijktheid.

Een nee dat een spiegel voorhoudt.

Want wat al die boze Nederlanders ook roepen in de media, onze vrijheid is echt niet in het geding.

IN DE TUIN

Er hangt een lage mist over het weiland, een wondere witte wereld. De sneeuwklokjes en de helleborussen onveranderd fier, een laagje water op het deksel van de metalen afvalbak, alles drupt en tikt. Dauw, of zou het geregend hebben vannacht? Voor de keukendeur zit een zwartwit katertje. Hij is nieuw in de buurt en heeft meteen het kattenbaasje gevonden. De Gewone Jongen, die niet van katten houdt en inmiddels een heel leger te eten geeft en toespreekt. Dan klinkt de felle roep van een spotvogel. Mijn hart licht op, hij is er weer, vaste klant in onze tuin.

Terwijl ik in de middag aan de slag ga met kruiwagens vol verse mest, werpt de Gewone Jongen zich op het bevestigen van de ovalen nestkastjes. Het is een heel gedoe, want ze hangen niet stevig op één schroef. Dat zint de Gewone Jongen niet, hij houdt van doorwrocht werk, alles bomvrij, geen zorgen meer. Terwijl hij verdwijnt naar zijn werkplaats op zoek naar een oplossing blijft het nestkastje eenzaam achter aan de boom.

Een opgewonden getjilp doet me opkijken. Tot mijn stomme verbazing zie ik een koolmeesje op het kastje zitten en een ander zit er al in. De ladder staat nog tegen de boom, de voorkant van het kastje ligt nog op de grond. Ook in onze tuin is de woningmarkt overspannen.