Reizen van binnen

De digitale bezoeker laat me haar tekening zien. Op een groot vel papier staat een vrouwenfiguur, wijdbeens en in verkort perspectief, getekend in houtskool. In haar handen houdt ze een pistool schijnbaar op de kijker gericht. De loop lijkt uit het platte vlak te steken. Aan haar arm bungelt een keurig damestasje.

Het beeld blijft me de verdere dag bij. Ook als ik na het werk nog even het atelier in duik om aan mijn laatste schilderij te werken. Ik pas de horizon wat aan, voeg her en der nog wat kleur toe en fixeer de krijtstrepen waarmee mijn vrouwenfiguur gebonden lijkt te liggen.

Hoe is die op mijn doek verschenen, vraag ik me af

?

Vrouwen en hun geschiedenis.

Soms is er meer dan je kunt waarnemen.

De vrouw op mijn doek heeft zich gewikkeld in een deken uit de hoogste bergen. Ze is in winterslaap. De koude om haar heen deert haar niet. Er is immers altijd die gloed.

Ze droomt over warmte, bloemen, de natuur. Ze loopt opnieuw over die bergpaadjes. Ze rent verder over het strand met meerdere honden aan haar zijde. Moeiteloos doorkruist ze het wad. Naar de eilanden. Noordwaarts gaat het. In alle windrichtingen.

Een van mijn ‘oude’ moeders vertelde me ooit, in het bergland aan het meer waar we in het ijskoude water sprongen, over ‘reizen van binnen’. Wat ze steeds meer doet. Ze ziet hoe ze later in haar schommelstoel zit en reist van binnen. Naar het meer, naar het koude water. Naar ons die voor haar zitten. Ik voel haar hand op mijn schouder.

Is dat niet prachtig?

Ongemak

Ik heb kaartjes gekocht. Dit keer ben ik er snel genoeg bij om twee van de dertig beschikbare te scoren. We fietsen door de nog steeds natte stad naar de Nes. Hier op de plek waar ooit het Sint Barbara klooster stond, zetten we de fietsen voor Frascati. Dit kleine theater loopt al mijn hele leven mee. Zo voelt het althans. Toch lees ik op de site dat het pas in 1981 geopend werd in zijn huidige vorm. Een restaurant met dezelfde naam en een aantal zaaltjes. Ik herinner me hoe we, in onze eerste jaren hier gingen eten. De uitbundige sfeer, het onovertroffen cafe eten, de wijn, de opwinding van het ‘midden in het leven staan’.

De grote zaal, met de mysterieuze balkonnetjes. Ik stelde me voor hoe daar, in de hoogtijdagen in de 19e eeuw toen hier wel 1900 mensen konden zitten, het publiek zich over de balustrades boog om beter te kunnen zien.

We melden ons bij het zaaltje van voormalig theater De Engelbak, iets verderop in de Nes. Het cafe is gesloten. We mogen er wel even zitten. Meer gemaskerde bezoekers voegen zich bij ons. Het lijkt eerder alsof we op een trein wachten dan we op theater bezoek gaan. De kleine zaal is leeg op een paar plukjes stoelen na, in tweetallen dichterbij elkaar geplaatst. Hierdoor ontstaat een intieme sfeer. Het onderscheid tussen podium en zaal ontbreekt.

Discordia speelt een stuk over Nabokov. We hebben eerdere voorstellingen gezien over andere schrijvers. Associatief, improviserend, zoekend. Geen makkelijk ‘vermaak’.

Ooit las ik Lolita en Pnin. Zelfs een biografie van de schrijver. In de tijd dat Lolita een fout boek gevonden werd. Het is weg. De associaties blijven nergens aan haken in mijn brein. Voor altijd verloren.

Een groepje bezoekers meent in de verkeerde voorstelling te zitten en verlaat de zaal. Een fotograaf beweegt zich tussen spelers en publiek. We zijn een geworden. Ik voel hun spanning, ongemak.

‘De avond is ongemak’. Ik moet aan mijn boek denken dat thuis ligt te wachten. Het levensverhaal van een jonge vrouw uit een streng gereformeerd milieu die als eerste Nederlandse hiermee de Bookerprijs wint. In een interview wordt gevraagd naar haar ouders’ reactie. Onbegrip, nog steeds. Ongemak.

Met een soortgelijk gevoel fiets ik naar huis. De lege Dam, op een politiebus na. De Bijenkorf als een misplaatst opgetuigde kerstboom in de mist.

Niks knus aan, ook niet echt erg. Slechts ongemakkelijk.

Ver van huis

Het regent opnieuw hard als ik naar de tandarts fiets. De altijd drukke route over het stationsplein ligt er verlaten bij.

Ze staat me op te wachten. De vrouw uit Wit-Rusland die al 30 jaar mijn tandarts is. We praten even bij. Het is immers, door de crisis, een poos geleden. Ze blijkt amper jonger te zijn dan ik terwijl ik meende dat ze piepjong was, toen ze net in Nederland aangekomen was en onder de hoede van onze oude tandarts, een kans kreeg haar Russische papieren erkend te krijgen. Ze is nooit terug gekeerd naar huis, na een studiereis. Alles achter moeten laten. In de loop der jaren krijg ik soms brokjes geschiedenis te horen. Ze gaat graag naar Milaan. De sfeer daar doet haar denken aan thuis. Een elegante stad, dichtbij de bergen. Het stadsplein, de winkels, de drukte en het straatleven. Ze is altijd alleen gebleven, die leuke vrouw met de blonde krullen. Haar vak is haar leven en ze hoopt het nog lang vol te houden.

Ik moet denken aan een andere jonge vrouw. De Armeense die in Nederland crowd funding heeft opgezet ten behoeve van een zwaar geteisterd dorpje in haar geboorteland. Haar vader geboorteplek. Als klein meisje is het gezin in de jaren 90 gevlucht. Na 6 jaar in een AZC gewoond te hebben, vonden de ouders en broer werk in een fabriek terwijl zij is gaan studeren. Om diplomaat te worden.

Terwijl ze nu terug in Armenie werkt aan het opbouwproject breken de recente rellen uit. Het oude geschil tussen Armenie en Azerbeidzjan over een bergregio is opgelaaid. Ik hoop dat ze veilig is.

Ik fiets terug naar huis door de aanhoudende regen. Naar mijn warme thuis. Zonder dat er bommen vallen. Er heest slechts corona.

Donkere wolken

Het regent als ik wakker wordt. Grijze wolken hangen laag en zwaar over de natte stad. In het park zijn mijn schoenen al snel kletsnat. Voor Marie maakt het niet uit of de wolken donker zijn.  Zwemmen of ravotten door het natte gras. We komen de lieve hondenoppas tegen. Een uitbundige begroeting. Nat en puur hondengeluk.

Thuis lees ik de krant. Het nieuws voelt als de zware, natte wolken.

Er schijnt zoiets te bestaan als COVID long. De chronische nasleep. Neurologische klachten die niet weggaan, zelfs erger worden. Een leger van gehandicapten.

Een artikel over andere gevolgen van Corona. Democratie als het, mijn inziens, grootste slachtoffer van de pandemie. Een opsomming van staten die de crisis hebben aangewend om de democratische beginselen op te schorten of te wijzigen. Met als enig lichtpunt Belarus. Daar waar wanbeleid rond Corona het politieke protest versterkte en uitgroeide tot een massale roep om verandering.

En natuurlijk de berichten over de toestand, of vermeende toestand via Trump. Nieuws of nepnieuws van linker of rechterzijde. Wantrouwen gecreeerd door persoon in kwestie. Meer aandacht is het hier niet waard.

Tenslotte, vanavond op de bank met Marie luister ik een podcast, van De Correspondent. Over de Verenigde Staten. Voorbij de democratie, nu geregeerd door een stelletje boeven (kleptocratie) en op weg naar een autocratie.

Buiten onweert het. Binnen luidt de noodklok. “Op het stembiljet staan niet langer links of rechts, progressief of conservatief. Trump of Biden. Op het stembiljet staan de verkiezingen zelf”.

Heel donkere wolken pakken samen boven de wereld.

Wollig

Ik kocht onlangs een nieuwe trui. Een donker blauwe. Blauw, het nieuwe zwart. Van gerecyclede wol, bleek toen ik het labeltje nader bekeek. Dat maakt de aankoop meteen een stuk verantwoorder.

Na het lezen van een onthutsend artikel ben ik anders over wol gaan denken. In Australië, de grootste wolproducent, worden schapen systematisch mishandeld bij het scheren. Die wol verdwijnt naar de goedkope merken die in al onze winkelstraten te vinden zijn. Bloed aan je oh zo leuke truitje.

Wol gaat heel lang mee. Zo’n 80 jaar. Een gek idee. De kindertruitjes van mijn moeder zouden nog kunnen bestaan en gedragen worden. Als ze bewaard zouden zijn. Maar dat gebeurt niet. Die miljarden schapen maken wol en die moet verkocht. Wij worden aangespoord om alsmaar nieuwe kleding kopen. Dat noemen we ‘economie’.

Van onze AI en duurzaamheidsdeskundige horen we bevestigd dat het echt zo langer niet kan. Dat het 1 minuut voor 12 is, maar we zien het niet. Te dichtbij de ramp om het waar te kunnen nemen.

De enige manier om de schade te beperken is, in ieder geval in Europa, alle voedsel productie in zee en het land beschikbaar voor de mensen. Terug naar het eten van schelpdieren en wieren, zoals de oermens die aan de kusten leefde. Wij in Normandië doen graag ons best.

In Afrika zullen de dieren juist wel los rondlopen. Vlees is de belangrijkste eiwitbron daar. Er groeit verder weinig.

Van alle dieren is slechts 5 %wild. De rest is gedomesticeerd en onderworpen aan onze wil. Zoals bekend produceren die met zijn allen een enorme CO2 uitstoot. Als het vee er niet meer is, lossen we dat probleem ook een beetje op.

Maar wat heeft dat met mijn nieuwe trui te maken?

Bewaar al je oude wollen spullen. En lever ze in bij bedrijfjes die inmiddels ontstaan zijn om er nieuwe garens van te maken. Benut kunstenaars en designers om iets moois te creeren. Zo gaat je nieuwe aankoop 80 jaar mee.

Of is dat allemaal slechts wollige praat?

Wassen neus

Ik heb mijn notitieboekje maar weer tevoorschijn gehaald. Vol met krantenknipsels en aantekeningen. Verzameld materiaal voor de blog over de eerste COVID-19 golf. Van begin maart tot begin juni hield ik immers een dagelijkse blog bij, 101 afleveringen. Ik meende het te kunnen opbergen.

De dag begint met de kranten en een loopje VP waar de yogalessen weer volop aan de gang zijn.

‘S middags een rondje Jordaan. In de plensregen lopen we door de Hazenstraat. Ach, ooit bekend terrein. Café Sarein  is er nog.  De smalle straat vol shoppende stelletjes. In elke winkel is er het weifelende moment en een snelle blik op andere bezoekers. Kapje op de neus of niet?  

We bezoeken galeries waar de Unseen foto’s hangen. Bij de Zwitserse Bildhalle gaat de kap op de kin. Japanse foto’s met sake. We spreken de fotograaf. Het blijkt een Terschellinger. Gefascineerd door de Indische geschiedenis van zijn ouders en de Japanse overheerser. Geen wassen neus.

Voldaan keren we huiswaarts. Het fotoboek onder mijn arm geklemd.

Thuis lees ik de laatste kranten. Het grappigste nieuws? Madame Tussauds zet Trump met zijn wassen neus in quarantaine.

Verstuurd vanaf mijn iPad

Dingetje

Onze dochter neemt ons mee uit eten. Om haar promotie te vieren en als dank voor onze steun. We zijn ontroerd.

Ik wil haar een cadeautje geven. Een boekje wat mijn denken prettig opgeschud heeft, de laatste tijd. Om niet weer in de verleiding van het Foute Bedrijf.com te komen, wandel ik met de hond naar de lokale boekwinkel.

Ik ben er al een poosje niet geweest. De ingang is geblokkeerd door een groot meubel vol ontsmettingsmiddelen. Gels, doekjes, spuitbussen en handschoenen. Ik zie niets vermeld over mondkapjes, dus stel ik deze vraag aan de dame achter het plexiglas bij de kassa. “Ja, we willen graag dat u uw mondkapje draagt”, antwoordt ze terwijl ze snel t hare opzet. Niet zo maar een kapje. Een hele grote, van plastic. Je zou er ook mee naar de maan kunnen vliegen. De hond wordt er bang van en begint te grommen en te blaffen. De overige klanten kijken op uit hun boek, zonder mondkapje, zie ik nu. Ik vraag waar ik de essays kan vinden. De dame probeert me de weg te wijzen maar de hond vindt haar, achter de kassa vandaan, wel heel erg eng. Met een omweg verdwijnt de dame achter in de winkel, maar kan t kennelijk niet vinden. De collega wordt er bij gehaald. Ook hij draagt een maankap. Als ik na een poosje stilte voorzichtig vraag of ze het kunnen vinden, hoor ik afgemeten zeggen: u bedoelt zeker die over ironie? Nee, die hebben we niet. Teleurgesteld verlaat ik de winkel.

Ilja Pfeiffer’s essay over de rol van ironie in het openbare debat. Ik had t haar graag vanavond gegeven.

Ironie, die oh zo vermakelijk alle betekenisgeving en betrokkenheid in het publieke debat kapot kan maken.

Maar afwezigheid van ironie in het alledaagse, persoonlijke leven is ook een dingetje.

Zeer korte Damesmeisjes Dingetjes

Een rusteloze dag 28-9-20

Elk kind kon de laatste twee weken al zien dat de doorgetrokken lijnen van de dagelijkse grafiek de blik naar de hemel voert inplaats van ergens boven de horizon. De cijfers schreeuwen al enige tijd boekdelen.

Hoewel te laat naar mijn gevoel, overvalt het nieuws over de maatregelen me toch.

De persconferentie. De twee mannen, de doventolk. We zijn terug bij af.

Maar ook niet.

Een lange dag voor me. Een vrije dag. Ik heb me erop verheugd. Ik zit vol met plannen.

En nu valt het stil.

Vriendinnen en vrienden in verre landen en in nu onbereikbare provincies. Gevat in beeldschermen.

Een onzichtbare barrière zet me vast. De stad ligt er onveranderd bij. Druk en toch stil. Nadenken over elke stap. Geen onwrikbare verordening maar een stroperige vertraging stolt het dagelijkse leven.

Geen gezellige ‘cocooning’ zoals tijdens De Eerste Golf, maar een armoedig eilandbestaan.

Op de bank met Marie, mijn trouwe viervoeter. Die heeft nergens last van. Ditmaal ben ik de rusteloze.

Piepklein leed 29-9-20

Als de rust die dag eindelijk gekomen is, lees ik een boek over een meisje dat haar jeugd in bomen doorbrengt, in sloten en weilanden. Tussen de dieren, van klein tot groot. Ze wordt als een beetje gek beschouwd.

Ik hoor een bons en mijn lievelingspoes, de gezellige mollige ‘Zwarte’, loopt voor me te paraderen met iets in haar bek. Ze verstopt zich vervolgens op een stoel onder de tafel. Haar zus Ali staat aandachtig te kijken, iets verderop.

Als ik dichterbij kom zie ik het. Een klein kopje, pootjes en een staart steken uit haar bek. Hartstilstand, denk ik. Geen bloed.

Dan neem ik een zacht maar indringend geluid waar, haast zangerig. Het vult de hele ruimte. De smeekbede van de muis.

Snel pak ik een poezen bakje en vul het met t lekkerste hapje wat ik kan vinden. Dat werkt. Zwarte poes kan de verleiding niet weerstaan en hapt toe. De muis springt op de grond en rent weg. Helaas is dit het moment waarop zus Ali zat te wachten. Een sprong en ze rent met muis en al naar buiten. Ik stuur de hond achter haar aan. Marie, onmiddellijk wakker, ziet dit als een buitenkansje. Ik hoop te bereiken dat de poes de muis loslaat als ze vlucht voor de hond. Zo is de hiërarchie.

Ik weet niet hoe het afloopt daarbuiten.

Terug op de bank kan het boek me niet langer boeien. De hulpkreet van de muis zingt na in mijn hoofd.

Beetje gek, toch?

Vergeten 30-9-20

We gaan weer naar t theater, voor het eerst sinds lange tijd.

Met de lieve vrienden uit de Jordaan hebben we een voorstelling gekozen in het theater aan de buitenste Singelgracht. Met het leuke café.

Maar dan komen de nieuwe maatregelen. En het kleine theater behoort niet tot de uitverkoren 10 culturele instellingen die meer dan de verordenende 30 bezoekers mogen ontvangen. De 90 verkochte kaartjes worden verdeeld in drie groepen: een extra vroege voorstelling, de geplande en een groep afzeggingen. We hebben geluk en komen in aanmerking voor de vroege uitvoering. Ik denk aan de acteurs die nu, zonder pauze, tweemaal op moeten. Helaas is het tijdstip voor mij te vroeg. De plicht roept dan nog.

Dan maar een etentje, bij ons thuis.

De tafel wordt Corona-proef gedekt. De alcohol begrensd. De gesprekken persoonlijk. Aan het einde van de avond staan we elkaar nog een stukje meer nader dan tevoren.

En hoe is het met de fysieke afstand?

Er schijnt een ‘vijand’ te zijn. We weten het. Maar, anders dan in de eerste golf, zijn we hem zo weer vergeten.

Hoogtepunt 1-10-20

De net bevallen verpleegkundige heeft nog tot november vrij voordat ze weer aan t werk moet. Ze heeft t allemaal goed uitgedacht. Extra verlof opgenomen om bij te komen van de geplande keizersnede. En van een drukke kraamperiode als alleenstaande met twee kinderen. Vooral niet te vergeten, van de hectische tijd voorafgaande aan de geboorte. Haar tijd op de corona-afdeling van een groot hoofdstedelijk ziekenhuis. Ze ging met verlof op het hoogtepunt, qua besmette patiënten. Met koffie en taart als afscheid hoopte ze de collega’s pas terug te zien in rustiger tijden.

Ze stuurt me een foto van die collega’s, anno oktober 2020. In plastic verpakt en met een spatscherm voor, lachen een aantal verpleegkundigen me toe. Welkom in de tweede golf. Verwacht hoogtepunt: tussen november en februari ’21.

Neanderthaler – 2 oktober

De Gewone Jongen begon ermee. De slaapkamerdeur op een kiertje zetten na nachtelijk toiletbezoek. Die ene keer was genoeg voor simpele kattenhersentjes. Vanochtend maakt een kirrend geluidje me wakker. Tashi geeft met haar grote ronde ogen aan dat het tijd wordt om op te staan. Nooit kan ik haar smeekbedes weerstaan. Ik loop naar beneden en doe de boerenkeukendeur voor de helft open. Voor mijn ogen ontvouwt zich een mistige wereld vol met het geluid van dikke regendruppels. Een leger meeuwen bevolkt het weiland. Ze vliegen allemaal op als Tashi naar buiten springt en hard rennend de tuin in verdwijnt. Terwijl ik me aankleed luister ik naar Radio 1. Een opgewonden discussie over iemand die positief op corona is getest. Wat dat betekent voor de verkiezingen. Ik roep het nieuws naar de Gewone Jongen, nog diep begraven onder het dekbed. ‘Ik geloof dat Trump corona heeft’. Een paar minuten later kijken we samen naar het laatste nieuws. Trump twitterde het bericht zelf.  ‘Dat is geen toeval, dat is opzet’, sombert de Gewone Jongen. Mannen als Bolsonaro en Trump die kiezen voor gezichtsverlies? Ik geloof er niets van. Ik moet denken aan een recent artikel in het wetenschappelijk tijdschrift Nature. Volgens een Duitse onderzoeker heb je drie keer zoveel kans om aan de beademing terecht te komen als je een specifiek gen hebt. Het Neanderthaler gen.